(Image - Library of Congres)

Op zoek naar verandering

Het vertrouwen in de politiek is laag. Dat tonen cijfers van het CBS en opiniepeilers al jaren aan. David van Reybrouck schreef in zijn boek Tegen Verkiezingen dat we van een situatie van apathie en vertrouwen ten tijde van de Verzuiling zijn aanbeland in een tijdperk van geestdrift en wantrouwen. Ik weiger mij daarbij neer te leggen. Tijdperken komen en gaan. Ik streef naar een tijdperk waar geestdrift gepaard gaat met vertrouwen en waar geen ruimte is voor cynisme.

Joris Luyendijk prijst zijn boek Kunnen we praten aan met de tekst “Dit boekje is voor iedereen die net als ik het vertrouwen in de traditionele politieke partijen voor een belangrijk deel of zelfs helemaal kwijt is.”  Gebrek aan vertrouwen is vanzelfsprekend geworden. Het is toch duidelijk! Iedereen vindt dit toch? Het bewijs ligt toch op straat? Je moet wel heel naïef zijn als je de praatjes van politici nog gelooft…

Ik heb de boeken van Van Reybrouck en Luyendijk met groot interesse gelezen, maar dat vanzelfsprekende wantrouwen, daar heb ik mij steeds aan gestoord. Dat komt doordat ik zelf politicus ben geweest. Ik voel mij persoonlijk aangesproken. Ik ben kennelijk ook niet te vertrouwen. Ik was eerst wethouder en daarna raadslid en ik erger mij aan het gemak waarmee alle politici en politieke partijen worden weggezet als onbetrouwbaar. Ik was met hart en ziel volksvertegenwoordiger en ook al ken ik in mijn omgeving ook slechte voorbeelden van politiek opportunisme en bedrog, mijn beeld is toch nog steeds dat dit een minderheid is en dat het overgrote deel van politici in Nederland het vertrouwen wel degelijk waard is. 

Vertrouwen in de politiek is bovendien een breed begrip. Bedoelen we met dé politiek het politieke systeem van representatieve democratie, bedoelen we alleen de politieke partijen, zoals Luyendijk schrijft, gaat het over de landelijke politiek, of over alle politici, dus ook in een kleine gemeente als Weesp, waar de meeste raadsleden het werk doen naast een drukke baan? En hebben we het over de volksvertegenwoordigers, of de bestuurders in colleges en regering? Ik neem toch aan dat er tussen al deze actoren in de politiek toch ook weer verschillen zijn qua vertrouwen.

En wat bedoelen we met het woord vertrouwen in een politieke context? Om te beginnen is vertrouwen in de politiek denk ik een kwestie van toevertrouwen. Dat is het representatieve aspect van onze democratie. Als kiezer vertrouw je deze politici je stem toe en je vertrouwt erop dat je vertrouwen niet beschaamd wordt. Het gekke van vertrouwen is dat je het kunt weggeven en tegelijkertijd nog steeds vertrouwen kunt hebben. Het vertrouwen in de politiek lijkt daarmee een beetje op een software licentie. Je geeft het gebruiksrecht voor jouw vertrouwen aan een politicus, totdat het vertrouwen geschaad wordt. In dat geval trek je de licentie weer in. Het vertrouwen blijft ten allen tijde jouw eigendom en je verwacht dat de politicus er behoedzaam mee omgaat. De politicus doet er goed aan om goed te luisteren, de gebruiksvoorwaarden goed te lezen en niet onachtzaam snel naar beneden te scrollen en meteen te klikken op het knopje “accepteer de voorwaarden”.

De vergelijking is aardig, maar hoe moet een politicus de voorwaarden kennen van honderden, of duizenden kiezers? Hoe luister ik naar de kiezer? Wat zijn hun voorwaarden? En zijn die voor iedereen gelijk, of zijn er voor elke kiezer andere voorwaarden? Ik kan uit eigen ervaring spreken dat dat luisteren niet eenvoudig is. Zoals gezegd, ik had als raadslid een fulltime baan en daarnaast was ik 15 tot 20 uur bezig met vergaderen in allerlei commissies en de gemeenteraad. Dat is het handwerk van een gemeenteraadslid en daar gaat veel tijd in zitten. Veel dossiers zijn van technische aard, zoals nieuwe verordeningen, of beleid op het gebied van het sociaal domein. Regelmatig zijn er dossiers waarvoor we veel publiciteit in de lokale pers maken en elk jaar zijn er diverse participatiebijeenkomsten in allerlei vormen. We proberen dan goed te luisteren, maar in de meeste gevallen zijn er maar weinig bewoners die zulke bijeenkomsten bijwonen. Natuurlijk sprak ik ook heel veel mensen in de buurt over allerlei politieke zaken, hadden we als partij een website waar mensen konden reageren, zaten we op Twitter en Facebook en hadden we in de stad verschillende buurtpanels. Ik probeerde met gezond verstand al deze reacties te verwerken tot een politiek standpunt, maar hoe je het ook wendt of keert, het blijft altijd een eigen afweging na lange studie van het dossier en praten met betrokkenen en er zullen altijd mensen ontevreden zijn en zeggen dat we niet hebben geluisterd. Ook als dat wel het geval is geweest. Luisteren is niet het zelfde als het met elkaar eens zijn. Je hebt luisteren in de zin van geïnteresseerd kennis nemen van een andermans mening en je hebt luisteren in de zin van de hond die naar z’n baasje luistert. Politici zijn geen honden.

Een belangrijke houvast zou het verkiezingsprogramma kunnen zijn. Dat is de belofte van de politiek. Dit willen we bereiken! Idealiter heeft de politieke partij geluisterd naar wat de mensen willen en staat dat duidelijk verwoord in het programma. Zo gaan we het doen! En als we het niet doen kunt u ons erop afrekenen. Als een verkiezingsprogramma je niet aanstaat kies je gewoon een andere partij en als er geen partij is die jouw mening verwoordt kun je altijd nog je eigen partij oprichten. Maar die vergelijking gaat om verschillende redenen mank. We leven in een coalitieland. Als je in de oppositie belandt kun je maar met moeite iets bereiken en zelfs als je wel in een coalitie komt, dan weet je van tevoren dat je niet alles zult kunnen realiseren. Zo is het systeem. Bovendien lezen veel kiezers de verkiezingsprogramma’s niet. In de media gaat het vaak om de poppetjes. Willen we Rutte, Buma, Pechtold, Wilders, of Klaver als premier? Wie vertrouwen we het meest? En zo is de cirkel weer rond. Het geven van vertrouwen is vaak op niet veel meer gebaseerd dan op de vraag wie we het aardigst vinden.

Vertrouwen heeft ook een bekend asymmetrisch aspect. Het komt te voet, maar gaat te paard. Die uitdrukking moet stammen uit een tijd van voor de industriële revolutie. Vertrouwen komt per fiets en vertrekt met piepende banden in een dikke BMW, zou een moderne variant kunnen zijn. Maar dat doet geen recht aan de veranderde politieke omstandigheden. Het asymmetrische karakter van vertrouwen is niet meer wat het is geweest. Het vertrouwen komt tegenwoordig vrijwel net zo snel als het weer vertrekt. Nieuwe partijen komen uit het niets, boeken forse overwinningen om vier jaar later vrijwel alles weer kwijt te raken. De nostalgie naar vertrouwen in de politiek is groot en we zijn steeds meer bereid om dat vertrouwen snel te geven. Vertrouwen als teken van wanhoop.

De nostalgie naar vertrouwen vond haar hoogtepunt in het verhaal van Jan Terlouw in het tv programma DWDD over het beruchte touwtje uit de brievenbus. Ik ben pas 50 maar dat touwtje is van ver voor mijn tijd. Ik heb nog nooit ergens een touwtje uit de brievenbus zien hangen. Thuis hadden we ook geen touwtje. Dat komt wellicht ook doordat mijn vader handelde in sloten en scharnieren. Bij ons thuis zou niemand op het idee komen om een touwtje uit de brievenbus te laten hangen. Hoe kun je in hemelsnaam zó naïef zijn? Bij ons thuis hadden alle deuren en ramen stevige sloten en scharnieren van de hoogste kwaliteit, beveiligingsstrips en we hadden een alarminstallatie en een kluis. Ik zou verschrikkelijk op m’n donder gekregen hebben van mijn vader als ik een touwtje uit de brievenbus had gehangen. Iets wat overigens slechts een theoretische mogelijkheid geweest zou zijn, aangezien we een voortuin hadden met daarvoor aan het hek een klassieke groene plastic brievenbus. Als ik daar een touwtje uit had gehangen zou niemand dat begrepen hebben.

Het terugwinnen van het vertrouwen in de politiek is de wens van velen. Of het nu gaat om David van Reybrouck, Geert Wilders, Joris Luyendijk, of Mark Rutte, iedereen wil dat op de een of andere manier het vertrouwen weer terug komt. Dat geldt ook voor mij. De vraag is alleen hoe we daarbij te werk moeten gaan. Hoe voorkom je dat vertrouwen een vluchtige substantie blijft die even snel komt als gaat? Moet daarvoor het systeem op de schop? Gaat het lukken met nieuwe partijen en nieuwe politici? Ik ben zelf zo vrij om te denken dat er geen simpele oplossingen zijn. Elk nieuw systeem, elke nieuwe partij, elke nieuwe politicus en kiezer zal uiteindelijk worstelen met de fundamentele problematiek van de representatieve democratie in deze tijd, wantrouwen.

In de analyse van David van Reybrouck zijn we van apathie en vertrouwen tijdens de Verzuiling gegaan naar geestdrift en wantrouwen in de huidige tijd. We hebben één slechte kwaliteit laten varen, apathie en ingeruild voor een goede kwaliteit, geestdrift. Maar dat is ten koste gegaan van het vertrouwen. In een ideale wereld zou er sprake zijn van geestdrift én vertrouwen. Dat is wat mij betreft de politieke utopie van deze tijd. Daar willen we naartoe. Stel je toch eens voor dat iedereen enthousiast mee doet in massale participatietrajecten en dat men vertrouwen heeft dat de politiek vervolgens de juiste besluiten neemt. Dat zou mooi zijn. Helemaal als dat vertrouwen vervolgens nooit geschaad wordt. Dat is het politieke Walhalla waar zowel kiezers als politici graag zouden willen wonen.

Het alternatief is volledige directe democratie. We zouden een systeem kunnen bouwen waarbij alle stemgerechtigde bewoners van een stad of van heel Nederland over elk voorstel via internet zouden kunnen stemmen. Hoewel ik dat een interessant gedachte-experiment vind, zie ik toch een heleboel bezwaren. Om te beginnen, we leven in een maatschappij van specialisten. Je hebt mensen die huizen bouwen, mensen die brood bakken, mensen die voor vervoer zorgen en je hebt ook mensen die gespecialiseerd zijn in het nemen van politieke besluiten. Ook dat is een vak. Neem een gemiddelde gemeente, of een kleine als Weesp. Daar worden elke maand tientallen besluiten genomen in de gemeenteraad. Een gemiddeld raadslid is 15 tot 20 uur per week bezig met het lezen en bediscussiëren van alle voorstellen. Fracties hebben specialisten. Het ene raadslid concentreert zich op ruimtelijke ordening, de ander doet financiën en een derde houdt zich bezig met het sociaal domein. Je kunt niet verwachten dat alle burgers zich volledig gaan verdiepen in alle besluiten in gemeente, provincie en Tweede Kamer. De economie zou meteen tot stilstand komen, want iedereen zou de hele dag bezig zijn met lezen. Kort door de bocht, ik denk dat we ook een representatieve democratie hebben, omdat niet iedereen de hele tijd bezig wil zijn met politiek. Het compromis zou zijn dat we directe democratie alleen inzetten bij bepaalde belangrijke beslissingen. Dan blijft het probleem van misrepresentatie voor een deel van de besluiten en creëren we het probleem dat we ongetwijfeld ruzie krijgen over welke onderwerpen we aan de politici over laten en welke niet, want ook met dat dilemma zal politiek bedreven worden.

In dit blog wil ik nadenken over systeemveranderingen die de geestdrift voor en het vertrouwen in de politiek daadwerkelijk vergroten. Dat kunnen grote systeemveranderingen zijn zoals een nieuw kiesstelsel of loting, maar het kunnen ook kleine aanpassingen zijn van het huidige systeem. Ik heb op dit moment nog geen uitgesproken voorkeur. Zelf heb ik de politieke arena twee jaar geleden verlaten en nu ga ik, ver verwijderd van het dagelijkse gehakketak, met fris vertrouwen op zoek naar verandering.